In de nacht vóór de Nationale Dodenherdenking werd het Nationaal Monument op de Dam beklad met rode verf. Op het monument stond onder meer het woord ‘genocide’. De symboliek was overduidelijk: bloed op een monument dat juist de herinnering draagt aan oorlog, vernietiging en collectief menselijk falen. De actie werd opgeëist door Palestine Action Amsterdam en vroeg aandacht voor het conflict in Gaza. Schoonmakers moesten hard aan het werk om te zorgen dat er ’s avonds bij de ceremonie geen spatje rode verf meer te zien was op het monument.
De actie werd breed veroordeeld. Terecht: een monument dat gewijd is aan de doden verdient respect. Maar tegelijk legt die actie een ongemakkelijke maatschappelijke spanning bloot die niet zomaar met verontwaardiging kan worden weggepoetst. Achter de rode verf schuilde een vraag. Een vraag die veel dieper gaat dan de daad zelf: Wat betekent “Nooit meer” als wij vandaag toekijken bij massaal menselijk leed?
Op 4 mei herdenken we de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, waaronder de ruim 104.000 Nederlandse Joden die in de Holocaust omkwamen. “Nooit meer,” zeggen we dan. Dit stuk stelt één vraag centraal: is “Nooit meer” voor ons alleen een ritueel, of ook een norm die consequenties heeft voor het handelen van een democratische rechtsstaat vandaag? Vanuit die vraag kijk ik naar de keuzes die Nederland destijds maakte – en de keuzes die we nu maken.
Waarom passiviteit moreel zwaar weegt
De historische les van de Nederlandse rol in de Jodenvervolging is dat passiviteit, bureaucratische afstand en politieke terughoudendheid tegenover systematisch menselijk leed moreel zwaar kunnen wegen. Die les dwingt ons kritisch te kijken naar hedendaagse conflicten, ook wanneer de dader een bondgenoot is.
Na de Duitse inval in mei 1940 vluchtten koningin en regering naar Londen. Het landsbestuur kwam in handen van de tien secretarissen-generaal: de “Tien van Den Haag”. Zij kregen vage instructies: blijf zitten zolang het in het belang van het Nederlandse volk is. Uit pragmatisme, continuïteit en de vrees voor erger (een volledig NSB-bewind) werkten ze mee aan ariërverklaringen, registratie van Joden, de Jodenster, onteigening en deportaties.
Ze wisten in het begin nog niet van de industriële uitroeiing in de vernietigingskampen. Maar ze zagen wel de isolatie en deportatie. Geen van hen trad af puur uit protest tegen de Jodenvervolging. Dit accommoderende beleid is er mede de oorzaak van dat Nederland ongeveer 75% van zijn Joodse bevolking verloor – het hoogste percentage in West-Europa.
In Denemarken gebeurde het anders. Daar weigerden bestuur en bevolking massaal mee te werken. Bijna alle Deense Joden overleefden de oorlog dankzij actieve bescherming en evacuatie naar Zweden. Zelfs onder bezetting was er dus keuze. Nederland koos voor bureaucratische accommodatie. Die keuze had een hoge prijs.
De keuze van de “Tien van Den Haag” zorgde dat het Nederlandse bestuurlijke apparaat bleef functioneren. Registratiesystemen bleven werken. Eigendommen werden geconfisqueerd. Mensen werden geïsoleerd. De infrastructuur van uitsluiting bleef draaien.
Dat maakt Nederland niet de dader. Maar het maakt de historische les wel pijnlijk helder: grote misdaden worden niet alleen mogelijk gemaakt door overtuigde daders, maar ook door bureaucratische afstand, institutionele gehoorzaamheid en politieke passiviteit.
Misschien is dat wel de kernles van de Holocaust: niet alleen wat haat kan aanrichten, maar ook wat afstandelijkheid mogelijk maakt. Juist daarom schuurt Gaza zo hard tegen de betekenis van 4 mei aan.
Afstandelijkheid als beleid
Vandaag leven we niet onder bezetting. We hebben soevereiniteit, informatie (hoe beperkt ook) en democratische vrijheid. Toch zien we in het Nederlandse beleid ten aanzien van het geweld in Gaza en Libanon een zekere terughoudendheid die ongemakkelijk doet denken aan die historische passiviteit.
Terwijl wij de slachtoffers van toen herdenken, zien we vandaag opnieuw een humanitaire catastrofe ontvouwen. Tienduizenden Palestijnen zijn omgekomen. Hele woonwijken zijn verdwenen. Ziekenhuizen zijn verwoest of buiten werking geraakt. Humanitaire hulp wordt structureel belemmerd. Journalisten zijn in grote aantallen gedood.
Of het geweld van Israël in Gaza juridisch als genocide kan worden gekwalificeerd, is onderwerp van veel discussie en uiteindelijk aan internationale rechters. Maar moreel gezien is de schaal van het menselijk leed onmiskenbaar. En dan komt de vraag onvermijdelijk terug: Wat doet Nederland?
Onder het huidige kabinet blijft Nederland kritisch op nederzettingen en excessief geweld, pleit het voor een twee-statenoplossing en intervenieert het in internationale procedures. Maar harde consequenties – sancties, wapenembargo, erkenning van Palestina als staat – blijven uit. Er is geen breuk met Israël, ondanks het hoge aantal burgerdoden in Gaza. Nederland blijft opvallend terughoudend in het verbinden van politieke consequenties aan structurele schendingen door een bondgenoot. Hier raakt het heden aan de geschiedenis.
Verleden en heden
De morele patronen uit het verleden zijn herkenbaar in het heden: we zien systematisch leed, we kennen de feiten en schuiven principiële keuzes vooruit. Dat is de ongemakkelijke parallel tussen toen en nu.
De vergelijking tussen Nederland en Denemarken in de Tweede Wereldoorlog leert iets essentieels: zelfs onder druk bestaan keuzes.
In de Tweede Wereldoorlog zien we hoe in Nederland bestuurlijke efficiëntie zonder morele weerstand desastreus kon uitpakken. Denemarken liet zien dat zelfs onder bezetting morele en bestuurlijke keuzes verschil konden maken. Het overgrote deel van de Deense Joden overleefde dankzij actieve bescherming en maatschappelijk verzet.
Daaruit volgt een ongemakkelijke conclusie: afstandelijke bureaucratie en pragmatische terughoudendheid tegenover zichtbaar leed kunnen moreel falen. Denemarken toonde dat keuze mogelijk is, zelfs onder druk.
Passiviteit is geen neutrale positie; het is een keuze. En in het licht van 4 mei – inclusief de rode vlek op de Dam – dwingt de geschiedenis ons die keuze onder ogen te zien, ook en juist wanneer de dader een bondgenoot is.
Maar vandaag zijn we niet bezet; we leven in vrijheid. Dat maakt onze keuzes des te betekenisvoller. We kunnen ervoor kiezen om “Nooit meer” niet alleen als herinnering te behandelen, maar als politieke norm. Of we kunnen kiezen voor afstand, voor diplomatieke voorzichtigheid.
“Nooit meer” is geen slogan voor één volk of één periode. Het is een oproep tegen onverschilligheid, en die verliest haar kracht als zij selectief wordt toegepast. Laten we daarom eerlijk reflecteren op onze eigen rol: toen én nu.
Ontdek meer van Ged88 - Gedachten
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.